Thuis
Aan de kassa in de supermarkt staat een vrouw af te rekenen. Ze ziet er sjofel uit, en moe. Ze kijkt naar de rij wachtenden achter haar en begint uit het niets te schreeuwen tegen twee kleine jongens voor me, in een taal die ik niet kan thuisbrengen. Haar stem klinkt steeds luider. ‘Rustig’, zegt de kassierster. De vrouw begint nog harder te roepen. De jongens kijken mekaar vragend aan. De kassierster richt zich tot hen: ‘Kennen jullie deze mevrouw?’ ‘Nee’, zeggen ze. ‘Spreekt ze jullie taal?’ Ze schudden van nee. De vrouw blijft maar schelden, nu ook tegen de kassierster, die op een knop drukt, waarna een collega opduikt die tegen de gillende vrouw zegt dat ze de supermarkt moet verlaten, en wel nu. De kassierster haalt haar schouders op. ‘Te veel gedronken. Het is niet de eerste keer.’ De verantwoordelijke zegt dat ze de jongens kent en hen naar huis zal brengen.
De vrouw verlaat de supermarkt, nog steeds roepend, maar nu begint ze ook te huilen. Ze loopt voor me uit op de parking en praat tegen zichzelf. Ik weet niet wat ik moet denken. Ik weet wel wat ik voel: kwaadheid omdat ze zo tekeerging tegen twee jongens van hooguit tien.
Op straat zie ik de supermarktverantwoordelijke, met aan elke hand een van de jongens, aanbellen bij een huis. Ik blijf staan en hoor haar aan de moeder uitleggen wat er net is gebeurd.
De vrouw loopt nog steeds voor me uit. Ik hou mijn pas in, omdat ik bang ben – bang dat ze ook tegen mij zal beginnen te schelden. Wanneer ik de hoek omsla, staat de vrouw op mij te wachten. Ze begint te praten. Ik zeg niets – ik weet niet wat ik moet zeggen. Ter hoogte van mijn appartement houdt ze halt. Ze wijst naar een bloembak die mijn benedenburen er hebben gezet, en waarin één roze bloem al is beginnen te bloeien. De vrouw buigt voorover. Ruikt aan de bloem. En begint opnieuw te huilen. ‘Flower’, zegt ze. ‘Home.’ Ik wil iets zeggen, maar ze loopt alweer verder, opnieuw in zichzelf pratend.
Een dag later weet ik nog altijd niet wat zeggen, behalve dat ik dit moest neerschrijven, en behalve dat ik steeds weer moet denken aan deze woorden van acteur Robin Willams - woorden die ik in mijn hart draag maar gisteren blijkbaar zelf even vergeten was toen ik in mijn binnenste kwaad werd: ‘Everyone you meet is fighting a battle you know nothing about. Be kind. Always.’


Die quote aan ’t eind in cursief blijft mooi,hoeveel ik die ook al tegengekomen ben...
Heel mooi, dankjewel. En dat citaat is zó toepasselijk!