Ik stuur
De eerste keer dat ik het hoorde, dacht ik dat er iets ontbrak. Niet in de zin, maar in de jongere die de zin uitsprak. Ze keek me aan en zei, met de achteloosheid van iemand die constateert dat het buiten donker is: ‘Ik stuur je.’
Dat was alles. Ik wachtte. Er kwam niets meer.
‘Je stuurt me’, zei ik. ‘Wat?’
Ze keek me aan met de uitdrukking die jongeren reserveren voor mensen die vragen waarom je een foto niet gewoon afdrukt en in een album plakt. ‘Gewoon. Ik stuur je.’
Een bericht. Ze had ‘een bericht’ weggelaten. Het lijdend voorwerp. Het ding dat gestuurd werd. Verdampt, geëvaporeerd, opgelost in de vanzelfsprekendheid van het smartphone-tijdperk.
Want natuurlijk. Wat zou ze anders sturen? Een postduif? Een telex? Een ansichtkaart met een foto van de Ardennen en aan de achterkant in krampachtig handschrift: Groetjes, het weer is wisselvallig, de frituur was goed?
Nee. Als je stuurt, stuur je. Punt. Het voorwerp is zo evident dat het benoemen ervan bijna beledigend is. Een bericht zeggen is zoiets als erbij vermelden dat je met je benen fietst.
Het meewerkend voorwerp mag wel blijven — je, de persoon naar wie gestuurd wordt, die heeft nog bestaansrecht. Maar het lijdend voorwerp, het ding zelf, dat is kennelijk te banaal voor woorden geworden. Letterlijk.
De Nederlandse taal heeft een lange traditie van dingen die worden weggemoffeld zodra ze te vanzelfsprekend worden. We zeggen al eeuwen niet meer ‘ik ga naar het huis van mijn moeder’ maar ‘ik ga naar mijn moeder.’ Het huis snapt iedereen. We zeggen ‘bellen’ zonder daarbij te vermelden dat we dat met een telefoon doen, want ja, waarmee anders, met een blikje en een touw?
Maar dit voelde anders. Dit voelde brutaler. Sneller. Alsof de taal een bocht had genomen waarvan ik niet eens wist dat die bestond.
Ik stuur je.
Het heeft iets majestueus, eigenlijk, als je er lang genoeg naar kijkt. Iets goddelijks bijna. En God schiep het licht. Hij zei er niet bij waarmee.
Het grappige — of het verontrustende, ik weet het nog steeds niet — is dat ik het nu zelf zeg.
Het is me overkomen zoals alle taalbesmettingen me overkomen: sluipend, zonder aankondiging, op een doordeweekse dag. Ik stond in de keuken en zei tegen een vriendin, volkomen nonchalant: ‘Ik stuur je.’
Ze begreep me meteen. Natuurlijk begreep ze me meteen. Iedereen begrijpt het meteen, dat is nu net de essentie van waarom het lijdend voorwerp overbodig is geworden.
Maar ik stond er even van te kijken. Ik, die ooit een jongere had nagekeken met de blik van iemand die een zeldzame vogel observeert. Ik, die het had genoteerd, als curiosum, als bewijsmateriaal.
Paulien Cornelisse schrijft in haar boeken over hoe taal ons denken vormgeeft, hoe de woorden die we kiezen verraden wie we zijn en hoe we de wereld zien. Ik denk dat ‘ik stuur je’ iets vergelijkbaars doet. Het is een kleine taalkundige tijdcapsule. Over twintig jaar, als iemand een oude film kijkt waarin een personage zegt ‘ik stuur je een berichtje’, zullen mensen denken: ‘God, wat formeel. Wat ouderwets. Hoe tuttig.’
De taal past zich aan. Ze doet dat altijd. Ze wacht niet op onze goedkeuring, vraagt geen toestemming, stuurt geen aankondiging vooraf.
Ze stuurt je gewoon.
Heeft u dit ook meegemaakt — een taalverschuiving die u eerst vreemd vond en daarna ongemerkt overnam? Ik ben benieuwd.


erg mooi hoe je het verwoordt!
Héél herkenbaar, Ann! En het gaat nóg sneller met een - aanvankelijke - puber, inmiddels een jongere in huis. De eerste sms'jes of WhatsAppjes aan mij gericht, waren eerder vergelijkbaar met de ontcijfering van hiërogliefen dan met communicatie! En daarna...ga je er lekker in mee. Want hey, je wil toch een hippe mama blijven 😉 Vandaar 2x/week bij het chillen van de vriendengroep mijn vraag: "zijn ze al caravan?". Ok. Dan vertrekken we.